Help mij niet

Omdat ik graag rechtsreeks door wilde om een voorstelling te bezoeken in Nijmegen at ik patat bij de Vlaamse Friettent op Hoog Catherijne. De zak was nogal groot dus nonchalant tegelijkertijd iets anders doen ging niet, bovendien was het te donker om een krantje te lezen. Ik keek om me heen. Ik probeer net als zoveel mensen heus wel meer om me heen te kijken, maar de aanblik van al die telefoontuurders is niet erg motiverend. Alsof iedereen ligt uit te buiken na een feestelijk diner en alleen ik moet mijzelf overeind hijsen om de gigantische berg afwas te gaan doen.

Maargoed, bij de Vlaamse Friettent richtte ik mijn blik naar de omgeving. In mijn ooghoek verscheen een jongen, bijna twintig jaar schatte ik hem, hij had een kleine hikerugzak om, droeg een warme winterjas en had wandelschoenen aan. Toen deed hij iets wat ik niet verwachtte, sterker nog, nadat het gebeurd was, vroeg ik me meteen af of ik het wel goed had gezien.

Hij pakte een zak waar nog friet in zat uit de vuilnisbak, gooide er nog een restje friet uit een andere zak bij en liep verder. Ik keek hem na en zag hoe hij de handeling herhaalde bij de volgende vuilnisbak. Ik dacht niet na, stond op en liep naar de jongen toe.

“Hé, zal ik een frietje voor je kopen?”

“Nee, heel aardig hoor maar dat hoeft niet,” zei hij “geef het maar liever aan iemand die het nodig heeft.” Ik keek hem aan van jij-hebt-het-nodig-toch? Hij keek naar zijn koude patat uit de vuilnisbak en zei: “Nee, ik bedoel, ik heb geen geld, maar dat is mijn eigen keuze. Help iemand die er niet voor gekozen heeft, een vluchteling bijvoorbeeld.”

Hij geeft me een hand en zegt: “Ik waardeer het aanbod echt, maar ik wil liever dat je iemand anders helpt.” Ik zeg gedag en ga perplex weer terug naar mijn bankje. Er zitten twee dames, uit Veenendaal zoals later zou blijken, en gelukkig wilden ze een luisterend oor zijn voor wat mij net was overkomen.

“Goh, ik krijg het er helemaal koud van weet je dat?” zegt één van hen. “Hij wilde niet geholpen worden, hij wilde dat anderen geholpen zouden worden die het nodig hebben,” zei de andere. “Het is zijn keus,” zei ik en staarde in de verte, daar kwam ‘ie weer aanlopen. Een andere vrouw mengde zich in het gesprek. “Jullie hebben het over die jongen toch, ik zag hem vorige maand ook en ik voelde mijn hart omdraaien.”

“Hij wilde ons aan het denken zetten,” peinsde ik hardop.

“Dat is hem dan gelukt,” zei één van de twee Veenendaalse dames. Ik knikte.